Home » Uit het verhaal

Lees hier een fragment uit het boek: het zevende hoofdstuk 

 

Ontwaken


Op het moment dat ik wakker schiet, weet ik zeker dat jij intussen naast mij bent komen zitten. Morgen ben ik jarig,
een kroonjaar, en precies tien jaar geleden dat ik jou voor het laatst zag. Ik sla mijn arm om je heen, want ik wil dat jij
bij me blijft in de lange koele nacht die hier over de veranda zal vallen.
Op de veranda ben je buiten voor hen die binnen zijn en binnen voor degenen die buiten voorbijgaan. Je neemt geen
deel, maar observeert, inhaleert en je hoeft nergens op te reageren. Ik zit graag op de veranda.
Vanaf mijn geriefelijke zitplaats kijk ik over de rivier en de lage velden naar het langzaam intreden van de avond. De
bossen en de heuvels in de verte zijn al niet meer te onderscheiden, net zomin als de bergtoppen die er daarachter
nog bovenuit moeten steken.


‘Weet je, jongen, ik ben bang geweest dat ik zou vergeten hoe je was, hoe je bent. Vooral de kleine dingen, de gebaren,
de buiging van je stem, de inplant van je haar, je houding met de iets opgetrokken schouders … je lach, je blik, je gang.
De voorbije jaren ben ik wel bezig geweest om je op te roepen in mijn herinnering, maar meer nog om te proberen sporen
van jouw bestaan te ontdekken in het nieuwe heden van na jouw vertrek.
‘Uit de tijd gevallen’, zegt David Grossman over de zoon die zijn ouders niet meer kunnen vinden.
Wij zijn in de tijd, in de door ons ervaren realiteit. Maar ik ben ervan overtuigd geraakt dat er een werkelijkheid is ook
buiten de voor ons zichtbaar waarneembare.
L’essentiel est invisible pour les yeux, schrijft De Saint-Exupéry, de man met wie we de datum van vandaag, onze
datum van entree en vertrek uit de tijd, delen.’

Ik herinner mij dat ik loop door Jeruzalem, net buiten de oude stad aan de kant van de burcht van David. Het voetgangersgebied
bestaat uit moderne winkelstraten, met grote warenhuizen en glimmende façades. Het is druk in de relatieve
koelte van de vooravond en ik slenter op zoek naar iets te eten. Voor een bocht in de straat, bij een grote kledingzaak
staat een manshoog bronzen beeld. Het is een jas, een lange mantel, grove snit, enigszins gedateerd en met
duidelijke sporen van gebruik. De jas is leeg en zweeft om een lichaam dat er niet is. Op een klein plaatje eronder staat:
The essential is invisible for the eye.


Jouw jas is er nog. Al die jaren hangt hij hier, aan het knaapje. Hij is wat grof van snit en het is duidelijk te zien dat hij gebruikt is. Pas als ik mijn ogen dichtdoe zie ik jou.


‘Als je iemand niet meer kunt vinden is het besluit om te gaan lopen cruciaal.’
Bij Grossman staat de vader plotseling op, voor het eerst na vijf jaar, en begint te lopen.
Ik ben ook gaan lopen, na vier jaar en een beetje.